"Op dit moment horen ze niets meer, zien ze niets meer. Ze zijn in volledig in trance". Verbaasd kijk ik naar de toeschouwer van wie ik deze flard opvang. Even overweeg ik om terug te gaan en hem te waarschuwen dat ik alles gehoord en hem duidelijk gezien heb, maar nu is geen moment voor grappen. Ik ben bezig met de marathon en de zwaarste kilometers komen nog.
Tot vandaag is de langste afstand die ik ooit gelopen heb 26 kilometer en 785 meter. Philipp en ik liepen die afstand een paar weken geleden; dat wil zeggen, Philipp liep 30 kilometer en ik hield het na bovengenoemde voor gezien. Vandaag denk ik in staat te zijn om 42 kilometer en 195 meter af te leggen. Ik gok met name op de besparingseffecten van de lagere snelheid en het feit dat ophouden een beetje dom over zou komen op de duizenden toeschouwers en mede-lopers.
Philipp is mijn collega en metgezel voor de dag. Tussen de middag lopen we vaak een stuk of tien kilometer hard, en het was mijn idee om eens een marathon te lopen. Hamburg was zijn keuze, en omdat ik geen mietje ben loop ik hier vandaag ook.
Van de ideale voorbereiding op een marathon weet ik alles. Ik heb schema’s, boeken en internet geconsulteerd en kan je vertellen over `the wall’, het moment waarop de brandstof van het lichaam op is en de loper stilvalt, of-ie het wil of niet. De afgelopen week heb ik elke dag drie liter gedronken en uitsluitend koolhydraat-rijk voedsel gegeten. Ik ben een beetje bezorgd over `the wall’, maar niet zo erg. Over het algemeen ben ik een betere loper dan de gemiddelde mens en ben ik slechts in een mindere mate vatbaar voor de kwalen van die anderen hebben. Mijn minder dan ideale voorbereiding op deze marathon is niet zorgwekkend en laat zich statistisch eenvoudig verklaren: omdat niemand een méér dan ideale voorbereiding heeft zal de gemiddelde loper altijd sub-optimaal programma gevolgd hebben. Ik ben dus niet alleen.
Het weer is geweldig. Het waait niet, de zon schijnt en ik loop met korte broek en zonnebril. Op deze mooie zondag is de stad uitgelopen om de lopers te zien. Vanaf de start zijn we omringd door duizenden toeschouwers die een onvoorstelbaar lawaai produceren. De meeste blazen op toetertjes van de sponsor, sommigen hebben de stereo buiten staan en een enkeling treedt op met z’n hardrockband. Op tien kilometer stond een vrouw te schudden met een blik met munten. Het was zo’n duur snoepblik, waarschijnlijk van de schouw gerukt bij het passeren van de eerste lopers en gevuld met de inhoud van de spaarpot, en om een onverklaarbare reden vond ik haar enorm zielig.
Vooraf was ik gewaarschuwd voor een te snelle start, maar het eerste half uur was het onmogelijk om een ander tempo te lopen dan vijf en een halve minuut per kilometer. Inhalen of achterop raken is uitgesloten in de slang van mensen, waardoor ik goed om me heen kon kijken. Veel deelnemers blijken op een merkwaardige manier te lopen, met stijve knie of slingerende buik. Er gaat een geruststellende werking van uit.
Na een half uurtje draaiden Philipp en ik lekker. Door het dieet van de afgelopen dagen zit ik propvol met energie, en al snel klok ik de eerste kilometer onder de geplande vijf minuten. Na een paar vier-veertigers merk ik op dat we eigenlijk te snel gaan, maar geen van ons beiden maakt aanstalten om langzamer te gaan lopen. En waarom ook eigenlijk? Alles gaat op dit moment vanzelf, het lichaam geeft aan dat er geen problemen zijn, alle meters staan op groen. Het is alsof ik rondgereden wordt door de stad en ik krijg de neiging te gaan zwaaien naar de toeschouwers. Om mij heen zie ik dat sommige andere lopers die neiging inderdaad niet kunnen bedwingen. Marathonlopen blijkt een feest voor alle betrokkenen te zijn, en ik vraag mij af hoe het komt dat we niet eerder op dit idee gekomen zijn.
`These kilometers often pass quite uneventful!’ Lachend quoot ik één van mijn handboeken over de eerste dertig kilometer. Het leek een grap, maar blijkt echt waar te zijn. Na de eerste halve marathon moet ik constateren dat het geweldig gaat. Medewerkers delen bananen uit en ik drink nog een beker water. Dat is trouwens het enige probleem op dit moment: mijn blaas geeft aan dat het tijd is om naar de wc te gaan, en dat is al zo sinds de start. Het gevoel wordt nu dringender en ik knoop het touwtje van mijn broek los.
`Veel harder hoeven we van mij niet te gaan.’ Philipp kijkt moeilijk, en ik besef mijn fout. Door het continue gezeur van mijn blaas ben ik sneller gaan lopen zodat we eerder bij de finish zijn. We zijn bij kilometer 26 en mijn reflex is onzinnig. Door mijn hoofd schiet een opmerking die ik weken eerder op internet las: `voor een marathon loop je 20 mijl, en dan de moeilijkste tien kilometer die je ooit gedaan hebt.’ Ik voel me in hoge mate ongemakkelijk met mijn volle blaas en begin om me heen te kijken. Lange rijen mensen langs de kant van de weg. Dit probleem lijkt acuut te worden.
Na nog twee pijnlijke kilometers staat mijn blaas op springen. Inmiddels beginnen ook mijn kuiten zachtjes te klagen en voor het eerst vandaag besluit ik boos te worden. Als Philipp vraagt hoe het gaat zeg ik dat het kut gaat en dat we godverdomme veel te hard aan het lopen zijn. Dan zie ik het perkje waar twee andere lopers staan te plassen. Ik schiet van het parcours en ga erbij staan. Opmerkelijk is het weldadige gevoel in mijn benen nu ze, voor het eerst sinds een dikke twee uur, stil staan. Na een lange stop begin ik weer te lopen, en het gevoel houdt meteen op. Ervoor in de plaats komt een soort vermoeidheid dat ik verderop de dag nog beter zal leren kennen.
Honderd meter voor mij ontstaat commotie onder de lopers. Philipp is omgekeerd en loopt tegen de stroom in om te kijken waar ik blijf. Als we weer samen lopen zeg ik dat hij dat nooit weer moet doen. Hij grijnst en lijkt in betere conditie dan ik. We zijn bij kilometer 30 en volgens mijn horloge is ons tempo iets lager dan voorheen. Nu de verversingsposten talrijker worden gebruik ik iedere mogelijkheid om even iets langzamer te lopen en het weldadige gevoel in mijn kuiten weer op te roepen. Ik bedenk mij dat de kuiten eigenlijk niet zo heel belangrijk zijn en dat ik blij mag zijn dat ik geen last heb van mijn bovenbenen, die het echte werk verzetten.
Ik probeer manieren te bedenken waarop het uur dat we nog moeten lopen niet zo lang lijkt. `Twaalf kilometer is een eitje’ zeg ik tegen mezelf, `vergeleken bij wat je al gedaan hebt’. Maar ergens wordt ik ongerust. Hoewel onze kilometertijden klimmen is het tempo dat Philipp loopt net iets sneller dan ik aankan. Ik wil er niet aan denken, maar af en toe schiet het door me heen dat ik dit nooit tien kilometer volhoud. Ik trek en pijnlijke blik en zeg dat ik met klote voel.
Dan slaat de pijn in mijn bovenbenen. Verschrikt kijk ik om me heen, Philipp is al tien meter verder en ik sta stil. `Nooit stil staan’ denk ik en begin te wandelen. Ik zwaai dat Philipp door moet gaan voel me even geweldig. Mijn benen zijn warm en blij dat ze rust hebben. Links en rechts schieten de lopers voorbij die ik net nog inhaalde. Ik zet weer aan en passeer het bordje van 33 kilometer. Doordat ik nu niet het gevoel heb dat ik per se bij iemand moet blijven loop ik minder gespannen. Ik beloof mezelf dat ik bij 34 kilometer weer even mag wandelen loop tot mijn verbazing op de snelheid van het peloton mee.
Wanneer stop je? Na elke stap is het niet onmogelijk de volgende te zetten. Dood neervallen lijkt niet ter sprake. De reden dat ik daarnet even stilstond was hoogstens een onaangenaam gevoel in mijn bovenbenen. Dat valt een beetje tegen. Ik dacht dat lopers die stilvielen minstens een ondraaglijke pijn te verduren hadden, en daar was bij mij nog geen sprake van. Ik had gewoon een beetje last van de spieren. Daar is het bord van 34 kilometer, en ik sta weer stil. Nou moet het niet gekker worden. Ik begin te wandelen en vraag mij af wat er aan de hand is.
Ik weet het al. Het weldadige gevoel van de vorige stops keert niet terug in mijn benen. Eigenlijk voelt ook het wandelen slecht. Ik wacht één minuut voordat ik weer begin te lopen. Na 200 meter is er een verversingspost waar ik, wandelend, een banaan eet en twee bekers water drink. Met tegenzin begin ik weer te lopen. Het lijkt erop dat men het bordje van 35 kilometer vergeten is. Tot mijn spijt doemt het, minuten later, alsnog op.
Ik hou mezelf voor dat het allemaal eerder voorbij zou zijn als ik maar een beetje door zou lopen. Mijn startnummer raakt los en flappert voor mijn buik. Af en toe word ik ingehaald door lopers die onwaarschijnlijk snel lijken te gaan, maar al met al ga ik met de massa mee. Mijn dijen schreeuwen moord en brand, maar ik luister even niet. Een tijdje geleden bedacht ik opeens dat ik zometeen al bij kilometer 38 aankom en dat ik er dan echt bijna ben. Rechts is het bordje al zichtbaar. 38.
Als ik er bijna ben verandert de acht in een zes. Onmiddellijk val ik weer stil. Altijd blijven wandelen. Het publiek brult. Ik wandel en dan geef ik het toe: ik lijd aan ondraaglijke pijnen. Ik trek het bijbehorend gezicht, een soort ongelukkige grijns die ik tot nu toe in mijn leven nog niet nodig heb gehad. Het publiek blijft brullen. Van de eventuele opzwepende werking merk ik helemaal niets. Ik wandel en grijns terwijl ik links en rechts word ingehaald. Ik krijg een minuut van mijzelf maar het worden er twee. Ik wil wel lopen, maar het probleem is dat iedere keer als ik begin mijn benen heftig protesteren. En hoe langer ik wandel, hoe minder ze willen doen.
Ik loop weer. Op verschillende manieren probeer ik het publiek duidelijk te maken dat ik het allemaal niet zo leuk meer vind, maar er gebeurt niets. Brul. Toeter. Juich. Ik overtuig mezelf ervan dat als ik de veertig kilometer eenmaal gehaald heb, de rest eigenlijk kinderspel is. Ik passeer 38 en probeer me te herinneren hoe blij ik was toen ik de vorige keer langs dat bordje kwam. Iedere kilometer wandel ik een minuut en begin dan weer te lopen. Na een tijdje kijk ik dan op mijn horloge hoe lang ik al loop. Meestal is dat zo’n dertig seconden. Ik besluit niet meer te kijken.
Na een bedroevend lange tijd bereik ik de 40 kilometer. Er is drinken en voedsel en ik neem het allemaal, hopend op een wonderbaarlijk herstel. Om geen medicijn te missen neem ik van alles wat en begin weer te lopen. Het herstel komt niet. Om mij heen roepen mensen dat het niet zo ver meer is. Ik geloof ze niet.
Eenenveertig kilometer is een verlossing, maar tegelijkertijd zie ik de televisietoren bij de finish. Als de woorden `in de verte’ ooit van toepassing waren is het nu. Wandelen. Lopen. Eigenlijk zou je hier, met de finish in zicht, het laatste stuk gewoon uit moeten lopen. Ik begin te rennen, maar het gaat veel langzamer dan gedacht. Ik wandel weer.
Iemand in het publiek vertelt mij dat het nog 800 meter is. Dat valt tegen. Ik loop weer, en dan is daar plotseling de finish. Tegen alle principes in rem ik al voor de lijn af zodat ik direct erna tot stilstand kom. Alles staat in brand.

Na een paar minuten overheerst de vreugde. Mijn geklungel in de laatste
kilometers heeft niet geleid tot een slechte eindtijd, en van de pijn is
niet veel meer over. Ik kan al weer lachen naar de mensen om mij heen en
verbaas me over het afgelopen uur. Als ik even op de grond ga zitten in
de sporthal waar ik mijn kleren ophaal vallen er druppels op de grond.
De verrassingen houden niet op vandaag. Ik heb al jaren niet meer gehuild.
