Nog een keer leggen we een behoorlijke afstand af, als we terugrijden naar Washington, onze beginstaat. Op ons nummerbord staat een afbeelding van de grootste heuvel in deze staat, Mount Rainier, en we rijden er vandaag naar toe. Onze tocht gaat onder meer door een fruittelend gebied.

We tikken in een van deze stalletjes een verzameling pluots op de kop, een kruising tussen een pruim en een abrikoos. Een werkelijk geweldige vrucht, die we nog niet eerder proefden. Daarna rijden we het nationale park rondom de berg in, dat voornamelijk uit bos bestaat. Aan de weg wordt nijver gewerkt, waardoor we af en toe stilstaan op het gloeiende asfalt.

Na verloop van tijd komt de berg in zicht. Het uitzicht stelt niet teleur.

Rijden door Washington is toch weer anders dan Oregon, gisteren. Er staan meer bomen en je krijgt de indruk dat er uberhaupt meer groeit. Ook zijn de heuvels vervangen door rotsachtige bergen. Marianne dondert nog bijna in een afgrond als ze een muurtje beklimt.

Hoe hoger we rijden, hoe frisser het wordt. Op een dag als vandaag is dat prima.

Uiteindelijk halen we het visitor center, waar we met moeite een parkeerplaats veilig stellen. Het is bijzonder wat hier allemaal de berg op gesleept is: we eten een lunch en bezoeken twee dure winkels.

Afdalend naar het hotel zien we de gebruikelijke uitzichten en watervallen. Velen willen ons op de foto zetten, maar het is slechts aan weinigen gegund. Deze meneer kreeg ons en de waterval er scherp op!

In de avond eten we bij de copper creek inn om de hoek, waar ons doodleuk een uur wachttijd voor een tafel aangezegd wordt. Het valt allemaal mee, en het eten is top. Goedzo. Morgen zijn we hier ook nog, daarna terug naar Seattle.
